Pilot relatie- en scheidingsproblematiek

In Almere vinden er jaarlijks naar schatting meer dan 500 scheidingen in gezinnen plaats. Een scheiding is een life event; een heftige relationele en emotionele gebeurtenis en betekent een ingrijpende reorganisatie van het leven van alle betrokkenen. Bij de (ex-)partners (en betrokken kinderen) is er veel onzekerheid. Er spelen veel vragen, waarbij ondersteuning en tijdig (juridisch) advies wenselijk of nodig is.

Ook zijn er scheidingen, die met de nodige conflicten verlopen en die extra aandacht behoeven om zo de veiligheid van de volwassenen en de betrokken kinderen te waarborgen.

De gemeente Almere en de deelnemende partners willen de burgers in Almere ondersteunen bij relatie- en scheidingsproblematiek in de verschillende fases en complexiteit.

Uit landelijk onderzoek komt naar voren dat burgers die denken aan scheiden of al in het proces zitten vaak niet weten waar zij informatie kunnen krijgen en/of de gehele situatie en verstrekkende gevolgen onvoldoende overzien. Hierdoor kunnen er in een vroeg stadium al keuzes of besluiten gemaakt worden die problemen en complexiteit doen toenemen.

 

Het laagdrempelig organiseren van ondersteuning en (juridische) informatie wordt als een belangrijke stap gezien in het voorkomen van escalatie.

Vroegtijdige signalering is van belang. Evenals een intensieve integrale samenwerking tussen JGZ Almere, de wijkteams (specialisme maatschappelijk werk) en St. Wetswinkel Almere bij ondersteuning en (juridische) advisering van deze hulpvragers.

 

Op 8 december start een pilot, waarbij wijkteam, JGZ en de Wetswinkel nauw samenwerken om deze eventuele nadelige gevolgen van een scheiding/uit elkaar gaan te beperken en communicatie tussen de scheidende partijen te herstellen om zo mogelijke escalatie te voorkomen.

De pilot zal worden gehouden in Almere Stad/Stedenwijk.

Binnenkort ontvangen jullie nadere informatie over deze pilot en over de eventuele doorverwijzingen in deze pilot.

Berekening woonkosten bij partner- en kinderalimentatie op de schop

Per 1 januari 2023 zullen rechters de woonkosten bij partner- en kinderalimentatie anders berekenen. Op dit moment kijkt de rechter nog naar de werkelijke woonkosten. Dit leidt vaak tot discussie als één van de ex-partners in een dure woning woont omdat er dan minder overblijft om bij te dragen aan het levensonderhoud van de andere ex-partner. Vanaf 1 januari zal de rechter uitgaan dat ex-partners/ouders 30% van hun netto besteedbaar inkomen uitgeven aan woonkosten (huur of hypotheek). De rechter zal geen rekening houden met een ouder die meer of minder uitgeeft aan woonkosten.

Bij een onderhoudsplichtige ex-partner die geld te kort komt vanwege hogere woonkosten die niet vermijd-of verwijtbaar zijn, kunnen de lagere woonkosten van de andere ex-partner toch worden meegenomen in de draagkrachtberekening.

Ook de uitkomst van de alimentatieberekening verandert. Op dit moment geldt de zogeheten ‘jusvergelijking’. Het is namelijk niet de bedoeling dat één van de ex-partners meer ‘vet’ mag overhouden dan de andere ex. Bij deze vergelijking wordt dus gekeken wat er aan vrije bestedingsruimte overblijft nadat aan de eerste levensbehoeften is voldaan. Vanaf volgend jaar wordt gekeken naar hoeveel beide ex-partners feitelijk te besteden hebben. Dit bedrag dient gelijk te zijn, nadat de alimentatie is betaald, waarbij de rechter rekening zal houden met kosten die niet verwijt- of vermijdbaar zijn. Ook kijkt de rechter naar kosten voor de kinderen, voor zover die niet uit het kindgebonden budget worden vergoed.

Het advies vanuit de expertgroep Alimentatie (bestaande uit een door ieder gerecht afgevaardigde familierechter die zich bezighouden met alimentatiezaken) is, om de nieuwe normen toe te passen in zaken die na 1 januari 2023 in zitting worden behandeld en waarbij de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatie op of na 1 januari 2023 ligt.

 

Bron: https://www.mr-online.nl/rechters-gaan-partneralimentatie-vanaf-1-januari-anders-berekenen/

En/of rekening: wie mag het geld gebruiken?

Toen wij ongehuwd samenwoonden hadden wij een en/of rekening geopend voor de kosten van de huishouding. Die kosten betaalden wij 50/50. Ieder stortte een bedrag op die rekening. Nadat we uit elkaar zijn gegaan heeft mijn ex de hele rekening leeggehaald. Zij zegt dat die ook op haar naam staat en dat dus mag. Is dat zo? Moet ik de bank aanspreken of mijn ex?

 

Door de naam op de rekening weet de bank wie de tegoeden daarvan mag gebruiken. Dit gaat dus om de verhouding tussen jullie en de bank: in dit geval dus jij en jouw ex. Maar het zegt niets over wie hoeveel ervan mag opnemen of gebruiken. Het saldo is bedoeld voor jullie kosten van de gezamenlijke huishouding. Als er meer is gestort dan is gebruikt, dan heeft ieder recht op een deel daarvan. Naar evenredigheid van de inleg. In jullie geval dus 50/50. Dit betekent dat jouw ex jouw helft aan jou moet vergoeden en niet de bank. Het kan zijn dat jullie een samenlevingscontract hebben waarin dit anders is geregeld. Als een van jullie de en/of rekening heeft gebruikt voor privéuitgaven, dan moeten die ook worden vergoed. Tenzij daarover natuurlijk een akkoord was.  Als de pot is voor de gezamenlijke huishouding en die stopt op een bepaald moment, dan zou je kunnen oordelen dat niemand meer dat geld uit de pot mag gebruiken, totdat hierover overeenstemming is.

Bij samenwonen is het aan te bevelen om ieder een eigen rekening te hebben en een “huishoudpot”, waarin ieder zijn/haar aandeel overmaakt. Spreek tevoren af hoe je die huishoudpot bij het einde van de relatie zal verdelen en per welk moment. Leg die afspraken vast, bij voorkeur in een samenlevingscontract.

 

Ingrid Maste
Hillen van Tol
Advocaten Mediators

Ongewenst gedrag op de werkvloer

Door Palthe Oberman Advocaten

Ongewenst gedrag op de werkvloer, waaronder seksuele intimidatie, is weer volop in het nieuws. Zo is recent een hoogleraar sterrenkunde van de universiteit Leiden, die zich jarenlang schuldig heeft gemaakt aan (o.a.) machtsmisbruik en seksuele intimidatie, weggestuurd na een intern klachtenonderzoek. De universiteit heeft erkend dat zij te lang heeft weggekeken en onvoldoende actie heeft ondernomen de slachtoffers te beschermen. Werkgevers spelen een cruciale rol in het voorkomen en tegengaan van (seksuele) intimidatie op de werkvloer. In deze blog leest u meer over de zorgplicht van werkgevers in het kader van seksuele intimidatie op de werkvloer.  

Bij seksuele intimidatie gaat het om enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie en die werknemers als ongewenst ervaren. Seksuele intimidatie valt onder de zogenoemde psychosociale arbeidsbelasting. Seksuele intimidatie kan leiden tot werkstress en ziekteverzuim en uiteindelijk tot langdurige uitval en mogelijk zelfs arbeidsongeschiktheid.

Zorgplicht werkgever

De werkgever heeft een wettelijke plicht om maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken om te voorkomen dat werknemers tijdens het werk (psychische) schade lijden. Dit geldt op grond van de Arbowet. Daarnaast is de werkgever verplicht zich als een ‘goed werkgever’ te gedragen, waaronder het naleven van de zorgplicht valt. Hierna zal kort worden stilgestaan bij de verschillende terreinen waar de zorgplicht van de werkgever op ziet.

Preventief beleid, gedragsregels
De Werkgever is wettelijk verplicht een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) te doen en op basis hiervan een preventief beleid op te stellen ter voorkoming van seksuele intimidatie.

De kern van preventie is dat duidelijk wordt gemaakt dat seksuele intimidatie op de werkvloer niet is toegestaan. Heldere en regelmatig naar het personeel gecommuniceerde gedragsregels kunnen daarbij helpen. Daarnaast moet de werkgever een beleid opstellen met betrekking tot het voorkomen van seksuele intimidatie en een protocol voor handhaving van dit beleid. Het aanstellen van een onafhankelijke en professionele vertrouwenspersoon is daarbij van belang, evenals een vooraf ingestelde klachtenprocedure en klachtencommissie.

Klachtenprocedure
Na de ontvangst van een klacht dient werkgever allereerst een gesprek aan te gaan met de klagende werknemer(s) en op juiste wijze hoor- en wederhoor toe te passen. Hiertoe dienen de klager en beklaagde eerst te worden gehoord. Wederhoor is de andere partij voorleggen wat er tot dan toe gehoord is met de vraag daarop te reageren. Wederhoor is dus niet enkel het nog een keer horen. Ook anonieme klachten kunnen aanleiding geven om onderzoek te starten, maar welke steeds kritisch moeten worden beoordeeld in het kader van deugdelijk hoor- en wederhoor. Dit is steeds relevant voor het bewijs. Vervolgens dient de werkgever – indien daartoe voldoende aanleiding is – over te gaan tot een onderzoek door een onafhankelijke, onpartijdige en deskundige partij. Werkgever dient voortvarend te werk te gaan en de vertrouwelijkheid dient te worden gewaarborgd. Het toepassen van hoor en wederhoor speelt een grote rol in het onderzoek. De beklaagde en klager moeten beide worden ingelicht over de uitkomst van het onderzoek.

Sanctiebeleid
Als de seksuele intimidatie na zorgvuldig onderzoek is komen vast te staan, is het van belang dat werkgever passende sancties oplegt aan de beklaagde. In dit kader spelen het arbeidsrecht en het recht op privacy een grote rol.

Nazorg in het kader van herstel van de arbeidsverhoudingen
Ten slotte is het bieden van goede nazorg voor de slachtoffers (de klagers) van groot belang. Hierbij valt te denken aan het compenseren van materiële en immateriële schade en het bieden van coaching of psychologische begeleiding.

Gevolgen niet voldoen aan zorgplicht

Bij schending van de wettelijke zorgplicht door werkgever is het voor de slachtoffers mogelijk een schadevergoeding te vorderen van hun werkgever. Dit kan zien op materiële en immateriële schade, waaronder juridische kosten, kosten voor een psycholoog en compensatie voor psychisch letsel en aantasting van eer en goede naam (smartengeld).

In de Arbeidsomstandighedenwet is geregeld dat indien sprake is van schending van voornoemde verplichtingen op grond van de Arbowet, de Nederlandse Arbeidsinspectie maatregelen kan nemen en bestuurlijke boetes kan opleggen, variërend van EUR 340, – tot EUR 13.500, -.

Wetswinkel gaat anders werken onderzoeken

Wetswinkel onderzoekt andere werkwijze

Om onze dienstverlening uit te breiden en in te spelen op de behoefte uit de markt, onderzoekt de Wetswinkel tot en met 31 mei 2023 of we onze dienstverlening kunnen uitbreiden. Lees hier verder 

Aan wie kinderalimentatie betalen?

In het ouderschapsplan hebben mijn ex en ik afgesproken dat ik de kinderalimentatie aan haar betaal. Ook als de kinderen meerderjarig worden. Onze dochter wordt binnenkort 18 en wil dat ik de alimentatie aan haar betaal. Hoe moet ik daarmee omgaan?

 

Als het ouderschapsplan door de rechter is bekrachtigt, regelt de wet dat de kinderalimentatie doorloopt als het kind meerderjarig wordt. Ook is bepaald dat je de alimentatie dan aan het kind zelf moet betalen. Je kan het natuurlijk wel aan de moeder blijven betalen, maar dan heeft jullie kind alsnog het recht om het bij jou te vorderen. Dan betaal je dus dubbel. Ik adviseer jou met moeder en dochter om tafel te gaan en dit dilemma te bespreken. Als moeder alle kosten betaalt voor jullie dochter, zal zij van haar kostgeld kunnen vragen, ter hoogte van de alimentatie. Jullie kunnen ook met jullie dochter een overeenkomst tekenen waarin staat dat zij akkoord gaat dat het toch aan moeder wordt betaalt. Wil je dochter dat niet, dan moet je aan haar betalen. De alimentatieverplichting stopt in principe als je dochter 21 jaar wordt. Maar je kan in het ouderschapsplan bepalen dat je langer doorbetaalt. Daar ben je dan aan gebonden. Oók als je dat indertijd met de moeder hebt geregeld. Maar heeft de rechtbank jullie ouderschapsplan niet bekrachtigd, dan kan betaling van alimentatie nu niet worden afgedwongen door moeder of dochter.

 

Ingrid Maste
Hillen van Tol
Advocatuur Mediation

Kinderalimentatie bij co-ouderschap

Wij hebben voor onze kinderen een co-ouderschapsregeling. We hebben daarom afgesproken dat we geen kinderalimentatie aan elkaar zouden betalen. Maar nu is mijn ex werkloos geworden en wil zij toch kinderalimentatie. Kan dat zomaar?

 

Bij een co-ouderschap wonen de kinderen (bijna) 50% van de tijd bij iedere ouder. Als iedere ouder precies evenveel verdient, hoeft er geen kinderalimentatie te worden betaald mits beide ouders allebei evenveel in de kosten voorzien. Die kosten zijn niet alleen de verblijfskosten (energie, eten etc) maar ook de verblijfoverstijgende kosten (fiets, schoolgeld, contributies etc.) Als de ouder waar de kinderen zijn ingeschreven, minder inkomen heeft, zou er mogelijk wel een kinderalimentatie betaald moeten worden. Dat kan ook als die ouder alle verblijfoverstijgende kosten betaalt. De wet zegt dat ouders verplicht zijn om bij te dragen in de kosten van hun kinderen, naar draagkracht. Die draagkracht wordt via een formule berekend aan de hand van het netto inkomen (incl. vakantiegeld en bonussen). Maar de bijdrage kan nooit hoger zijn dan hetgeen de kinderen kosten. En als jij in overleg al verblijfoverstijgende kosten voor jouw rekening neemt, is het redelijk dat deze in mindering worden gebracht op de alimentatie. Een familierechtadvocaat van de VFAS kan een berekening maken. Dan weet je zeker dat de alimentatie aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Ingrid Maste

Hillen van Tol
Advocaten Mediators

Moeten we de Fiscale Oudedags Reserve verdelen?

Mijn man en ik gaan scheiden en wij willen zoveel mogelijk zelf regelen. Nu heb ik een eigen zaak en op de balans staat een aardig bedrag voor de Fiscale Oudedags Reserve (FOR). Hoe moeten we die verdelen?

De FOR is een fiscale mogelijkheid voor zelfstandig ondernemers om geld te reserveren voor je pensioen. Je kan het bedrag nu “aftrekken van de belasting” , zodat je nu minder hoeft te betalen. Maar als je met pensioen gaat, moet je er met de belastingdienst over afrekenen. Het gereserveerde bedrag telt niet mee voor box III. Maar een FOR is niet te verdelen. Want tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoren de activa en passiva op de balans. De FOR is geen schuld, maar een reservering. Wel kunnen jullie de toekomstige belastingschuld in de verdeling meenemen, net als het werkelijk gereserveerde bedrag dat op de geblokkeerde rekening staat. Veel ondernemers maken gebruik van de FOR (de reservering) maar vergeten een bedrag apart te zetten op een geblokkeerde spaarrekening. Ze komen dus in de problemen als er bij pensionering wel belasting over moet worden betaald, maar er is geen geld gereserveerd.

Ingrid Maste

Hillen van Tol

Advocaten Mediators

Hoe lang moet ik partneralimentatie betalen?

Wij zijn in 1998 getrouwd, maar al sinds 2002 leven wij apart. Al die tijd heb ik haar alimentatie betaald voor haar en onze kinderen. Toen de jongste 18 werd zijn wij uiteindelijk in 2018 gescheiden en heeft de rechter bepaald dat ik partneralimentatie moet betalen. Maar er staat niet bij hoe lang.

Jullie zijn 20 jaar getrouwd geweest en gescheiden onder de oude alimentatieregeling. Daarin staat dat de alimentatieduur 12 jaar is. Die termijn begint niet op het moment dat jullie uit elkaar zijn gegaan, maar op de datum waarop jullie officieel zijn gescheiden in 2018. In principe duurt het dus nog tot 2030 voordat de alimentatieverplichting vervalt. Maar in de tussentijd heeft jouw ex een inspanningsverplichting om voor eigen levensonderhoud te zorgen. Het kan zijn dat dit nog niet leidt tot minder alimentatie. Dat ligt er namelijk aan. Als haar (geïndexeerde) behoefte 100 is, en jij betaalt 80, dan kan zij nog 20 verdienen voordat de extra euro in mindering komt op de alimentatie. Als jullie na 1 januari 2020 zouden zijn gescheiden, dan duurde de alimentatie in jouw geval 5 jaar. Daarop zijn nog wel uitzonderingen: als de kinderen jonger zijn dan 12 jaar of jouw ex geboren is vóór 1 januari 1970 én binnen 10 jaar na scheiding AOW krijgt.

Ingrid Maste
Hillen van Tol
Advocaten Mediators

Conceptwetsvoorstel ‘Kind, draagmoederschap en afstamming’

Voor stellen die wel een kinderwens hebben, maar deze niet op natuurlijke wijze kunnen vervullen, kan draagmoederschap een uitkomst bieden. Draagmoederschap is het fenomeen waarbij een vrouw een kind draagt met de intentie het kind na de geboorte af te staan aan de wensouders. In Nederland wordt draagmoederschap aangeboden door de ziekenhuizen VUmc en NIJ Geertgen, maar er is geen specifieke regelgeving op van toepassing. Om het juridisch ouderschap bij de wensouders te krijgen zullen de wensouders gebruik moeten maken van de algemene regels van het Nederlandse afstammingrecht.

Draagmoederschap is dus een fenomeen dat in de maatschappij voorkomt. Op dit moment hanteert de overheid een ontmoedigingsbeleid, maar wil daar verandering in brengen. De overheid heeft op 12 juli 2019 het conceptwetsvoorstel ‘Kind, draagmoederschap en afstamming’ gepubliceerd. De internetconsultatiefase liep van 24 april 2020 tot 22 mei 2020.

Met het conceptwetsvoorstel ‘Kind, draagmoederschap en afstamming’ wil de overheid verantwoord draagmoederschap reguleren. Het beleid zal er nog steeds op gericht zijn om commercieel draagmoederschap tegen te gaan. Het conceptwetsvoorstel bevat:

  • een regeling voor ouderschap na draagmoederschap binnen Nederland;
  • een regeling voor de erkenning van ouderschap na draagmoederschap uit het buitenland;
  • het verbod van kinderkoop in binnen- en buitenland;
  • versterking van het recht op afstammingsinformatie.

Het wetsvoorstel maakt het mogelijk dat de wensouders de juridische ouders worden van het kindje dat uit een draagmoeder wordt geboren. Om als wensouders na de geboorte van het kind het juridisch ouderschap te verkrijgen, moet het draagmoederschapstraject vóór de conceptie door de rechter getoetst worden en de rechter moet toestemming geven. De wensouders en de draagmoeder met eventuele partner moeten voor het verzoek tot toestemming voorlichting en counseling hebben gevolgd. Na het volgen van voorlichting en counseling door de wensouders en de draagmoeder met eventuele partner wordt het draagmoederschapstraject getoetst door de rechter. De rechter toetst onder andere de vergoeding aan de draagmoeder, of er een draagmoederschapsovereenkomst is, of er een genetische band is tussen het kind en ten minste één wensouder, tenzij dit onmogelijk is en of het draagmoederschap in het belang van het kind is.

Indien de wensouders gebruikmaken van draagmoederschap in het buitenland kunnen de wensouders ook het juridisch ouderschap verkrijgen. In beginsel moet een buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap voor erkenning door de Nederlandse rechter beoordeeld worden. In bepaalde gevallen kan een buitenlandse geboorteakte voor eenvoudige erkenning (van rechtswege erkenning) in aanmerking komen. Eenvoudige erkenning is mogelijk indien er een genetische band is tussen het kind en ten minste één wensouders, de afstammingsgegevens voor het kind achterhaalbaar zijn of binnen redelijke termijn achterhaalbaar worden, de buitenlandse geboorteakte van het kind dat geboren is via een draagmoeder door een buitenlandse rechter is beoordeelt en de draagmoeder na de geboorte van het kind de mogelijk heeft om de beslissing te herroepen indien de wensouders het juridisch ouderschap vóór de geboorte verkregen hebben.

 

Stichting Wetswinkel Almere
Vroni Uiterwijk Winkel