Aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken

Artsen en ziekenhuizen maken bij de uitvoering van medische behandelingen veelvuldig gebruik van medische hulpzaken. Onder medische hulpzaken kunnen verscheidene producten worden verstaan die gebruikt worden voor preventieve, diagnostische of therapeutische doeleinden. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan knie -en heupprothesen en diverse implantaten zoals pacemakers, defibrillatoren en bekkenbodemmatjes. Medische hulpzaken kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de gezondheid van patiënten, maar als de hulpzaken ongeschikt blijken te zijn dan kan het gebruik hiervan tot ernstige gezondheidsschade lijden. Een medische hulpzaak kan als ongeschikt worden aangemerkt als de hulpzaak als middel ongeschikt is om het doel te bereiken dat met de medische behandeling is beoogd.

 

Een patiënt die gezondheidsschade heeft geleden als gevolg van een ongeschikte medische hulpzaak zou zijn schade mogelijk kunnen verhalen op de hulpverlener en/of op de producent van de hulpzaak. Om de producent aansprakelijk te kunnen houden, dient er sprake te zijn van een gebrekkig product (een medische hulpzaak zou als gebrekkig kunnen worden aangemerkt, indien de zaak niet de veiligheid biedt die men daarvan kan verwachten). Daarnaast is vereist dat er sprake is van schade en een oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade. Als aan bovengenoemde voorwaarden is voldaan, dan kan de producent in beginsel aansprakelijk worden gehouden. Wel zou producent zich mogelijk nog van aansprakelijkheid kunnen bevrijden door een beroep te doen op een van de bevrijdende verweren die de wet hem toekent.

 

Verder bestaat ook de mogelijkheid om de hulpverlener aansprakelijk te houden. Wanneer een hulpverlener bij de uitvoering van een medische behandeling gebruik heeft gemaakt van een hulpzaak die ongeschikt is, dan kan de hulpverlener aansprakelijk worden gehouden voor de tekortkoming die daardoor ontstaat. Wel zou de hulpverlener zich van aansprakelijkheid kunnen bevrijden door te beargumenteren dat het onredelijk zou zijn om de tekortkoming aan hem toe te rekenen. Bij de vraag of toerekening wel of niet onredelijk zou zijn, kunnen verschillende omstandigheden een rol spelen. Hierbij zou men bijvoorbeeld kunnen denken aan de mate waarin een hulpverlener keuzevrijheid heeft gehad bij het maken van zijn keuze voor de medische hulpzaak, de deskundigheid van de hulpverlener, de verhaalsmogelijkheden van de hulpverlener (heeft de hulpverlener de mogelijkheid om de schade te verhalen op een verzekering of bijvoorbeeld op de producent), de mate waarin de hulpverlener profijt heeft gehad van de hulpzaak. Een afweging van (onder andere) de bovengenoemde omstandigheden zal uiteindelijk moeten leiden tot een oordeel of toerekening wel of niet onredelijk is. Als blijkt dat toerekening niet onredelijk zou zijn, kan de hulpverlener aansprakelijk worden gehouden.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *