Heeft werkneemster haar arbeidsovereenkomst opgezegd?

Een werkneemster die – nadat zij te horen heeft gekregen geen salarisverhoging te krijgen – bij haar leidinggevende aangeeft “een alternatief aanbod serieus te gaan onderzoeken”, heeft daarmee haar dienstverband niet opgezegd. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever had moeten begrijpen dat het niet de bedoeling van werkneemster is geweest de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Er is ook geen sprake van een verstoorde arbeidsrelatie. Werkneemster heeft recht op wedertewerkstelling en doorbetaling van het loon, aldus de rechtbank.

Feiten

Werkneemster is sinds 1 november 2015 (opnieuw) voor onbepaalde tijd in dienst van een Amsterdamse bakkerij in de functie van verkoopmedewerkster. In oktober 2021 heeft werkneemster bij haar leidinggevende gevraagd naar de mogelijkheden tot promotie en/of loonsverhoging. Hierop heeft de leidinggevende van werkneemster laten weten dat een loonsverhoging er niet in zit. Vervolgens heeft werkneemster aangegeven dat zij een alternatief aanbod heeft gekregen dat zij serieus zou gaan onderzoeken.

Op 4 november 2021 wordt door de leidinggevende een brief aan werkneemster overhandigd met de volgende tekst: “Naar aanleiding van ons gesprek 1-11-2021 schrijf ik deze brief. Hierbij verklaart werkneemster (..) om haar arbeidsovereenkomst te beëindigen. Uw contract loopt af op 1 januari 2022. (..)” Deze brief wordt niet ondertekend door werkneemster. Een maand later, op 3 december 2021, vindt een gesprek plaats tussen werkneemster en de leidinggevende in aanwezigheid van een adviesbureau, waarna werkneemster de volgende dag in een e-mail aan de leidinggevende kenbaar maakt dat zij terug wil komen op het gesprek van 3 december 2021. Hierin erkent ze te hebben gevraagd naar een salarisverhoging en op het moment dat zij die niet kreeg, te hebben gezegd dat zij een alternatief aanbod had gekregen dat zij serieus zou gaan onderzoeken. Ze stelt echter dat ze haar baan nooit formeel heeft opgezegd en graag aan het werk wil. Vervolgens zijn er brieven heen en weer gegaan tussen de gemachtigden van partijen waarin werkneemster heeft verzocht tot wedertewerkstelling en de bakkerij heeft laten weten dat alle uitingen en gedragingen van werkneemster blijk gaven van haar vertrek en dat er inmiddels een vervanger is aangenomen. Vanaf 1 januari 2022 heeft werkneemster geen salaris meer ontvangen. Werkneemster verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat zij geen ontslag heeft genomen en dat de arbeidsovereenkomst voortduurt. De bakkerij verweert zich tegen het verzoek met het standpunt dat de mededeling van werkneemster is aan te merken als een opzegging van haar arbeidsovereenkomst en doet tevens een voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsrelatie.

Beoordeling duidelijke en ondubbelzinnige opzegging

De kantonrechter dient te beoordelen of de arbeidsovereenkomst tussen de bakkerij en werkneemster is geëindigd. Hiertoe stelt de kantonrechter voorop dat daarvoor van belang is of voldoende is komen vast te staan dat de uitingen van werkneemster op 1 november 2021 en in de periode daarna moeten worden gezien als een ondubbelzinnig en duidelijke wilsuiting die is gericht op de definitieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Voorts is van belang of de bakkerij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de uitingen van werkneemster samenvielen met haar werkelijke wil.

De kantonrechter overweegt dat onduidelijk blijft wat er precies is gezegd tijdens de gesprekken op 1 november en 3 december 2021: het is het woord van de leidinggevende tegenover dat van de werkneemster. De overgelegde verklaringen van collega’s vormen voor de kantonrechter ook geen aanleiding om aan te nemen dat werkneemster haar baan op 1 november 2021 definitief heeft opgezegd.

Alles bij elkaar overweegt de kantonrechter dat het goed denkbaar is dat werkneemster tegen haar leidinggevende heeft gezegd “haar heil elders te gaan zoeken” en dat zij mogelijk in dat gesprek van 1 november 2021 ook heeft aangegeven “haar baan op te zeggen”. Nu dit gesprek heeft plaatsgevonden in het kader van loononderhandelingen en daarmee dus ook kenbaar is gemaakt dat ook gezocht werd naar een toekomst binnen de bakkerij, kan deze enkele opmerking van werkneemster niet worden begrepen als een blijk van een ondubbelzinnige en duidelijke wilsuiting aan de zijde van werkneemster, gericht op beëindiging van haar baan. Daar komt bij dat op de werkgever een onderzoeksplicht rust als het gaat om de opzegging van de arbeidsovereenkomst door een werknemer, gezien de (financiële) gevolgen daarvan. De bakkerij lijkt hier invulling aan hebben te willen geven door werkneemster op 4 november 2021 te vragen een brief te ondertekenen waarin zij de opzegging bevestigt. Dat werkneemster de brief geweigerd heeft te ondertekenen, had voor de bakkerij aanleiding moeten zijn te begrijpen dat het toch niet de bedoeling van werkneemster was geweest de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Ook heeft werkneemster – toen er weer contact was tussen partijen (eind november en begin december) – duidelijk gemaakt dat zij de arbeidsovereenkomst niet wenste te beëindigen. Op grond hiervan oordeelt de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst niet per 1 januari 2022 is geëindigd door opzegging door werkneemster.

Beoordeling verstoorde arbeidsverhouding

Ten behoeve van het tegenverzoek van de bakkerij dient de vraag beantwoord te worden of de arbeidsovereenkomst moet worden beëindigd wegens een verstoorde arbeidsrelatie. De kantonrechter overweegt hiertoe dat de duurzaam verstoorde arbeidsverhouding door de bakkerij onvoldoende is onderbouwd. De bakkerij stelt namelijk enkel dat werkneemster door haar handelen de verhoudingen binnen de bakkerij ernstig heeft verstoord. Het feit dat er een ongemakkelijke situatie is ontstaan in de bakkerij acht de kantonrechter niet voldoende om te kunnen spreken van een duurzame verstoring. Daarbij komt dat niet is gebleken dat er een gesprek of een andere vorm heeft plaatsgevonden om te proberen de verhoudingen te herstellen. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek van de bakkerij dan ook af.

De rechtbank Amsterdam oordeelt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog steeds voortduurt en werkneemster recht heeft op wedertewerkstelling en doorbetaling van het loon.

 

Bron: Rechtbank Amsterdam 3 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3142.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *